donderdag 13 maart 2014

Nederlands Indië; Geschiedenis Project

Korte inhoud van het boek:

Het boek beschrijft de ervaringen van Jeroen Brouwers in het vrouweninterneringskamp Tjideng, na de invasie van de Japanners in Nederlands Indië.  Daarnaast worden de gevolgen van deze ervaringen belicht. Jeroen brouwers schreef dit verhaal nadat zijn moeder overleed in 1981, voornamelijk om zijn kampjaren te verwerken.
Jeroen brouwers was slechts 5 toen hij met zijn moeder, oma en zusje in het Japanse interneringskamp terecht kwam, en heeft hier drie jaar doorgebracht. De omstandigheden in het kamp waren slecht en de vrouwen werden onmenselijk behandeld door de Japanners, beschrijft brouwers in zijn boek. Als iemand een regel overtrad of ongehoorzaam was werd deze gestraft met vreselijke lijfstraffen. Ook was er sprake van ondervoeding in het kamp, wat de reden was dat Brouwers oma het kamp niet overleefde. Deze martelingen en vreselijke omstandigheden worden zeer gedetailleerd beschreven door Brouwers kinderogen. De gebeurtenissen van Bezonken rood spelen zich afwisselend af in het heden en in het verleden. De liefde voor zijn moeder is door een aantal gebeurtenissen in het kamp veranderd in een even grote haat, die zich soms lijkt uit te breiden tot alle vrouwen. Nadat hij een telfoontje krijgt dat zijn moeder is overleden komt hij tot het besef dat zijn moeder al een lange tijd eerder was gestorven, in zijn gedachtes.

Voor een uitgebreidere samenvatting zie onderstaande link: http://www.scholieren.com/boekverslag/41095


Relatie tussen de schrijver en Nederlands Indië:

Jeroen Brouwers werd op 30 april 1940 wordt geboren in Batavia, de hoofdstad van wat toen de Nederlandse kolonie Oost-Indië was.  Als de Japanners Nederlands Indië binnenvallen wordt Brouwers samen met zijn oma, moeder en zusje van 1943 tot 1945 opgesloten in het vrouweninterneringskamp Tjideng. Jeroen Brouwers zelf was toen vijf jaar oud. Zijn vader verblijft in de oorlogstijd als krijgsgevangene in Japan. Jeroens twee oudere broers blijken, achteraf, op Java in mannenkampen opgesloten te hebben gezeten.  Na de oorlog is de familie terug gegaan naar Nederland en werd Brouwers door zijn moeder in een internaat in Zeist gestopt. Hij zelf noemde dit een 'plaatsvervangend jappenkamp'. De middelbare school heeft hij nooit afgemaakt en van 1959 tot 1961 ging Brouwers in militaire dienst bij de Marine Inlichtingsdienst en begint zijn literaire leven.  

Jeroen Brouwers heeft de gebeurtenissen en ervaringen van hem in dit kamp verwerkt in de autobiografische roman ‘’Bezonken Rood’’. Zijn jeugd in Indonesië speelt ook een rol in zijn romans “Het verzonkene” en “De zondvloed”. Deze drie romans zijn later in één band uitgebracht. Ik citeer: "Ik had twee dingen voor ogen die tussen mijn vijfentwintigste en mijn dertigste duidelijk werden: ik wilde een roman van duizend bladzijden schrijven over mijn kindertijd en jeugd in Indië. Dat zijn mijn drie Indië-romans geworden: 'Het verzonkene', 'Bezonken rood' en 'De zondvloed'. Dat doel heb ik dus bereikt. (...)"

Na het verschijnen van “Bezonken Rood”  is er veel kritiek geweest op de manier waarop Brouwers zijn kampjaren beschrijft. Het boek zou niet de objectieve werkelijkheid beschrijven en een opeenstapeling zijn van leugens en overdrijvingen.  Vooral Rudy Kousbroek begon een felle discussie. Hij beweerd dat Brouwers leid aan het  'Oostindisch kampsyndroom' . Wat de 'weigering zich op de hoogte te stellen van historische werkelijkheid' betekend. Beide schrijvers hebben een Indische achtergrond en hebben als kind in een Jappenkamp gezeten. Die ervaring hebben ze nog al op een verschillende manier verwerkt. Kousbroek relativeert de ervaringen van de Nederlanders, terwijl Brouwers juist meer de nadruk legt op de wreedheden van de Japanners.


Historische achtergrond die wij onderzoeken: Indische interneringskampen

Nazi-Duitsland had een bondgenootschap met Japan. De Japanners waren uit op grondstoffen uit Nederlands-Indië, vooral de Indische olie kon van groot belang zijn voor de Japanse oorlogvoering. Op 7 december 1941 begon de oorlog in de Pacific met een Japanse verrassingsaanval op de Amerikaanse marinebasis Pearl Harbor (Hawaï). Onmiddellijk na ontvangst van het nieuws van de Japanse aanval verklaarde de Nederlandse regering in Londen Japan de oorlog. Het Nederlandse gouvernement kondigde direct een algehele mobilisatie af.

Op 11 januari 1942 landden de eerste Japanse soldaten op Indisch grondgebied. Celebes en Borneo werden al snel bezet; Ambon, Zuid-Sumatra, Bali en Timor volgden spoedig. Tijdens deze operaties was het KNIL (Kon.Ned.Ind.Leger) getalsmatig niet altijd de mindere van de Japanners, maar bleek het qua gevechtkracht zeer te kort te schieten. In de nacht van 28 februari op 1 maart zetten Japanse troepen de aanval op Java in. De kusten van het hoofdeiland van de Indische archipel waren vanwege hun lengte zeer moeilijk te verdedigen. Op 9 maart 1942 capituleerde het KNIL op Java. Meer dan 42.000 Europese KNIL-militairen en Marinemensen werden krijgsgevangen gemaakt, samen met circa 25.000 inheemse KNIL-militairen.

Na de relatief eenvoudige verovering van de Indonesische archipel werd Nederlands-Indië door de Japanners in drie bestuurlijke gebieden ingedeeld. Sumatra viel onder het bestuur van het 25ste leger. Java viel onder het bestuur van het 16de leger. Borneo en Oost-Indonesië (Celebes, de Molukken, de Kleine Soenda-eilanden en Nieuw-Guinea) kwamen onder het bestuur van de Japanse Marine. Elk van de drie gebieden werd onderverdeeld in een aantal provincies met een Japanse gouverneur aan het hoofd. Nederlanders en Indische Nederlanders werden uit overheidsdienst verwijderd. Japanse burgerambtenaren namen de vrijgekomen hoge bestuursposten in.

De Japanse bezettingspolitiek was erop gericht Nederlands-Indië in de zogenaamde “Groot-Aziatische Welvaartssfeer” te integreren. De Japanse leiding probeerde deze tot stand te laten komen door de uitbanning van alle westerse invloeden in de Indonesische samenleving. Dat betekende niet alleen de invoering van de Japanse tijd en jaartelling en een verbod op Europese media, maar ook de internering van Nederlandse en geallieerde burgers – mannen, vrouwen en kinderen – in kampen.

Mijn opa is in 1925 geboren in Nederlands-Indië. Hij woonde voor de oorlog met zijn vader, moeder, vier zusters en een broer bij een groot ziekenhuis in een ruim huis met een groot erf op Sumatra’s Oostkust midden tussen grote plantages op de onderneming Laras (zie op kaart bij bijlage). Mijn opa beschrijft dit als een hele mooie tijd. In 1934 zijn zij voor een jaar naar Nederland gegaan.  Na terugkomst verhuisde het gezin (moeder en kinderen) naar de stad Medan (zie op kaart bij bijlage) wegens het ontbreken van een middelbare school in de omgeving in Laras.  Mijn opa zat toentertijd op de HBS (de Hogere Burgerschool), dat is te vergelijken met het VWO.

De landingen op Sumatra’s Oostkust werden voorafgegaan door twee bombardementen, één op het vliegveld en één op een olie-raffinaderij in Gloegoer enkele kilometers buiten Medan. Hier begon voor vele gezinnen de grootste ellende uit hun leven. Zijn vader en broer werden gemobiliseerd en gelegerd in een bergplaatsje, Kabandjahe, nabij Brastagi. Vrees bestond er onder de vrouwen en meisjes voor het binnentrekken van de Japanse stoottroepen in Medan. De Japanse soldaten hebben op dat gebied geen goede reputatie. Gelukkig viel het achteraf ontzettend mee.
Alle Nederlandse scholen werden gesloten en dit duurde voort gedurende  de gehele bezettingstijd. Het was zeer moeilijk om in die tijd aan contant geld te komen.
De Indonesiërs, gelukkig niet allen, werden met de dag onvriendelijker tegen de Europeanen, omdat zij de Jappen beschouwden als hun bevrijders. Het grootste probleem was dan ook dat en de Jappen niet kon verstaan.
Mijn opa woonde tegenover het station en dat bleek achteraf niet zo gelukkig te zijn.

Na de capitulatie van ons leger op Sumatra’s Oostkust werden onze troepen krijgsgevangen gemaakt, waaronder de vader en broer van mijn opa. Zij werden geïnterneerd in het kamp te Belawan Deli (havenplaats). Na verloop van tijd moesten alle Nederlanders zich verzamelen op de Esplanade (een groot park tegenover het station in Medan) en werden de mannen en jongens vanaf 13 jaar gescheiden van de vrouwen en kinderen. De vrouwen en kinderen werden vervoerd naar Poelaoe Brajan en de mannen kwamen terecht in het kamp Belawan Deli waar ook de krijgsgevangenen zaten, echter gescheiden door prikkeldraad. Wel konden de burgers vrij communiceren met de krijgsgevangenen.
Op een gegeven moment vertelde mijn overgrootvader tegen mijn opa dat hij dacht dat de krijgsgevangen weggevoerd zouden worden. De krijgsgevangenen werden inderdaad afgevoerd naar de schepen en niemand wist wat de eindbestemming was.

Alles hing af van de kampcommandant die je had. Mijn opa vertelt dat hij in het kamp veel geluk heeft gehad met de Japanse kampleiding. Na de oorlog heeft hij vaak hele andere verhalen gehoord over de verschrikkingen in de kampen, maar hij kan dit zelf niet bevestigen. Het kamp waar mijn opa zat was een voormalig verblijf voor havenarbeiders, alles was er vreselijk smerig en dat betekende dus dat zij als geïnterneerden hard moesten ploeteren om het kamp schoon te maken. Maar voor de hygiëne in het kamp was het natuurlijk vanzelfsprekend.
Voorzover mijn opa het zich kan herinneren heeft hij geen nare dingen meegemaakt gedurende zijn kamp tijd. ’s Morgens en ’s avonds was er appel. Mijn opa vertelt dat zij  (de geinterneerden) elke ochtend voor de barakken moesten aantreden; op bevel in de houding staan en buigen naar de Japanners. Daarna werden zij geteld en moesten zij de Japanners hardop groeten. Zij konden met behulp van de Indonesiërs vaak wat blikjes eten naar binnen smokkelen, uiteraard tegen betaling. Verder was er een goede clandestiene verbinding met brieven over en weer met het vrouwenkamp in Poelaoe Brajan. Van de kampleiding, de Japanners, hadden mijn opa en zijn mede-geïnterneerden absoluut geen last.
Op een gegeven moment, mijn opa weet niet meer precies wanneer, mochten alle Indische geïnterneerden, het kamp uit. Zij konden terugkeren naar hun huis in Medan, echter werden zij wel beschouwd als “enemy alien” (vijandelijk onderdaan). Ter herkenning kregen zij wel een pas en een rood-wit bandje om de bovenarm. Het was natuurlijk heerlijk om niet meer de hele dag achter het prikkeldraad te zitten.

Nu begon eigenlijk gedurende de verdere bezettingstijd de naarste periode. Er moest allereerst geld verdient worden om te eten. Opa vertelt dat hij heeft gewerkt in een touwslagerij, mandenvlechterij en op een werkplaats waar sigaretten moesten worden gerold. Gelukkig heeft hij daarna wat geld kunnen verdienen als jockey bij paardenraces.
Niet prettig was dat je op straat voor elke schildwacht moest buigen en dat werd door hun als erg vernederend ervaren. Menigeen, vertelt mijn opa, die dat weigerden kregen flinke klappen. Ook de Indonesiërs moesten dit doen. Wie opgepakt werd voor diverse overtredingen, kwam terecht bij de gevreesde Kempetai (Japanse MP) en die waren zeer wreed. Ook mijn opa moest daaraan geloven omdat Indonesiërs hadden verteld dat hij had gewuifd naar Amerikaanse vliegtuigen. Hij kon echter bewijzen dat hij toen op het race-terrein was even buiten de stad Medan. Verder hadden de Jappen ook nog een straf voor Indonesiërs, namelijk dat zij werden uitgedroogd. Dat noemden de Indonesiër “djemoer” (dit betekent uitdrogen), zij werden dan aan een boom vastgebonden en moesten in de zon kijken. Mijn opa legt er wel de nadruk op dat hij niet weet hoe het precies was gesteld in andere delen van Nederlands-Indië. Dit zijn zijn eigen ervaringen.

Een mooi voorbeeld dat er best ook wel aardige Japanners rondliepen, maakte hij op een avond mee in Medan. Een Japanse zeer nerveuze soldaat kwam ’s avonds heel stiekem de trap op bij zijn woning (kennelijk zeer bang voor de Kempetai) om te vertellen dat hij bewaker was geweest van zijn vader en broer die in Thailand zaten en aan de Birma spoorlijn werkten. Na die bewuste avond heeft mijn opa hem niet meer gezien. Achteraf bleek bij terugkomst van zijn vader en broer dat dit merkwaardige verhaal volledig waar was.  
Na terugkomst uit het kamp hebben opa, zijn moeder en zusters zijn nog een tijdje in het huis gewoond waar zij voor de kamptijd in Medan woonden. Zij moesten daarna nog tweemaal op zoek gaan naar een andere woning. Alle huizen waar mensen woonden achter het station werden gevorderd door de Jappen, zij moesten op stel en sprong verhuizen. Ten eerste vonden de Jappen dat zij van het huis tegenover het station te veel konden zien van de Japanse troepenverplaatsingen. Zij konden daarna bij een andere familie in huis intrekken en die woning werd naderhand ook gevorderd. De familie van mijn opa heeft dan ook letterlijk al het huisraad en dingen van waarden verloren, alles was verloren.

De oorlog kwam voor de mensen abrupt aan een einde door de atoombommen op Nagasaki en Hiroshima. Nederlands-Indië viel onder het gezagsgebied van de Britten. Zij namen, min of meer gedwongen door de beperkte beschikbaarheid van troepen, ten opzichte van de Nederlandse kolonie aanvankelijk een afwachtende houding aan. De herbezetting van Britse gebieden in Zuidoost-Azië en de afvoer van Britse krijgsgevangenen kregen voorrang. In Indië bleven daarom de Japanners voorlopig met het bestuur en de handhaving van rust en orde belast. Aanvankelijk bleven veel Nederlandse mannen en vrouwen in de interneringskampen zitten, het was te gevaarlijk om ze los te laten omdat de Indonesiërs opstandig en gevaarlijk waren. De voedselsituatie werd beter en de Japanners stelden zich wat vriendelijker op, maar van een 'echte' bevrijding was nog geen sprake. Ook de mensen die dus weer in de stad Medan terug kwamen werden weer geïnterneerd vertelt mijn opa, omdat de toestand buiten het kamp gevaarlijk was.

Mijn opa's gezin is weer compleet bij elkaar gekomen, ook zijn vader en broer zijn teruggekomen. In 1947 werden zij geëvacueerd naar Nederland. Mijn opa vertelt dat er wel leuke dingen waren in de kamptijden maar hij haat die tijd verschrikkelijk. Hij vertelt dat veel Japanse soldaten heel 
vervelend waren, vooral als ze gedronken hadden. Hij legt de nadruk erop dat hij wel geluk heeft gehad met de kampleiding. Het ergst vond hij vooral dat de scholen werden gesloten en dergelijke, dat zijn fijne leven daar werd afgenomen. Ook legt hij er de nadruk op dat het overal anders ging in de delen van Indonesië, de dingen die hij heeft vertelt zijn uit zijn eigen ervaring en hij weet niet precies hoe het er overal anders precies aan toe ging.

Na zoeken op het internet ben ik erachter gekomen dat het kamp Uniekampong in Belawan in de periode van april 1942 tot juni 1942 een krijgsgevangenkamp was en in de periode van april 1942 tot eind juli 1943 een burgerkamp. Dit is het kamp waar mijn opa en zijn vader en broer geïnterneerd zaten. Ook heb ik het kamp gevonden waar mijn opa zijn moeder en zusjes zich bevonden, namelijk het Poelaubrajan ABC in Medan in de periode van maart 1942 en juni 1945 was dit een kamp waar vrouwen en kinderen zich bevonden. Zie bijlage.

Op de tekening van het kamp Uniekampong in de bijlage herkende mijn opa verschillende dingen. Als je de poort van het kamp aan de Seroangweg en Bengkalisweg binnengaat, bevind zich meteen aan de rechterzijde het “huis” waar mijn opa, een vriend en nog vele andere werden ondergebracht. Ook vertelde mijn opa dat aan de Seroangweg zijde blikjes eten konden binnensmokkelen die zij tegen betaling van de Indonesiers kochten, zij stonden dan achter het prikkeldraad en de Indonesiers op de weg. Ook hier vond de clandestiene verbinding van post over en weer met het vrouwenkamp plaats.

Mijn opa zei: “Dat dit allemaal 74 jaar geleden gebeurde tijdens de bezetting, ervaar ik nog steeds als een vreselijke nachtmerrie”. Hij praat er ook niet graag over, omdat hij er niet aan herinnerd wil worden. Ik dank mijn opa en oma dan ook heel erg dat zij mee wilden werken aan onze opdracht voor Geschiedenis.


BIJLAGE


Op dit stukje kaart staat een deel van de oostkust van Sumatra. Bij de rode stip staat Laras de plaats waar mijn opa het eerste gedeelte van zijn jeugd heeft gewoond. Wat meer naar schuin naar boven van Laras zie je de stad Medan en daarboven Belawan.



Uniekampong: De Uniekampong was een complex houten woonbarakken uit de jaren twintig voor havenarbeiders van de Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de Rotterdamsche Lloyd en de Stoomvaart Maatschappij Nederland. De krijgsgevangenen werden geïnterneerd in het noordelijk deel van de kampong. Het kamp was omheind en door prikkeldraad gescheiden van het burgermannenkamp in het zuidelijk deel van de kampong. Onder de krijgsgevangenen waren inheemse, Nederlandse, Britse en Australische militairen. Zij werden tewerkgesteld in de haven, bij het laden en lossen van schepen en treinen. Half mei 1942 werd een groep van ruim 2.000 Nederlandse, Britse en Australische krijgsgevangenen met de Tokobashi Maru naar Birma afgevoerd. Begin juni werden zo'n 300 inheemse krijgsgevangenen vrijgelaten. De overige krijgsgevangenen werden in de loop van juni afgevoerd naar de kampen Lawesigalagala en Gloegoer.De burgermannen en -jongens werden geïnterneerd in het zuidelijk deel van de kampong. Eind juli 1943 werd het kamp ontruimd en werden 540 geïnterneerden in drie transporten naar Belawan Estate overgebracht.” – www.indischekamparchieven.nl


Poelaubrajan: “In Poelaubrajan bevonden zich de centrale werkplaatsen van de Deli Spoorweg Maatschappij met woonwijken voor het inheemse en 'Europese' technische personeel. Een deel van deze wijken werd ingericht als verzamelkamp voor vrouwen en kinderen uit Medan en elders op de oostkust van Sumatra. Het kampcomplex werd in fasen uitgebreid. De blokken A, B en C bestonden uit eenvoudige huisjes van inheems DSM-personeel en twee koelieloodsen (blok A), omheind met prikkeldraad en gedek. In juni 1945 werden de geïnterneerden overgebracht naar Aek Pamienke.” – www.indischekamparchieven.nl



Geen opmerkingen:

Een reactie posten